Home » Berichten » Interim-management » Het reservewiel: het bestuur waarnemen als raad van toezicht

Het reservewiel: het bestuur waarnemen als raad van toezicht

Door: Jef Hendrickx Datum: 26 augustus 2026

In vrijwel alle statuten van een zorgstichting staat een bepaling over 'ontstentenis of belet'. Zij regelt wat er moet gebeuren als de bestuurder wegvalt, en in veel gevallen wijst zij de raad van toezicht aan om het bestuur waar te nemen. De bepaling staat er meestal al sinds de oprichting en is bij de laatste statutenwijziging ongelezen meeverhuisd. Tot de dag waarop iemand hem nodig heeft. Dan blijkt de raad van toezicht een reservewiel in de kofferbak te hebben liggen waarvan niemand ooit de bandenspanning heeft gecontroleerd.

Wat mij in die eerste dagen opvalt, is dat het gesprek zelden gaat over de vraag die op tafel ligt. Men denkt te praten over de vraag of er een interim-bestuurder moet komen, maar dat is niet waar de spanning zit. De spanning zit in de vraag of dit wel een goed besluit is. Is het voldoende onderbouwd? Kunnen wij dit later uitleggen? En wat als over een half jaar blijkt dat het anders had gemoeten? Het is een governancevraag, vermomd als een personeelsvraag.

Dat is op zichzelf een gezond instinct. Een raad van toezicht die zich afvraagt of een besluit deugt, doet precies waarvoor hij is aangesteld. Alleen valt die vraag hier samen met tijdsdruk, en dat is een ongemakkelijke combinatie. Wie zich afvraagt of hij het wel goed doet, stelt het besluit uit — en uitstel is hier zelf ook een besluit, alleen een onbenoemd besluit. Ik zie raden van toezicht die drie weken vergaderen over de vraag of een interim-bestuurder nodig is, terwijl de organisatie in diezelfde drie weken bewijst dat het antwoord ja was.

En dan komt het reservewiel uit de kofferbak. Wij nemen het even zelf waar, zegt de voorzitter, dat scheelt tijd en kosten en wij kennen de organisatie. Uit ervaring weet ik dat dit vrijwel altijd een slecht besluit is, om twee redenen. De organisatie is er niet mee geholpen: zij krijgt een bestuurder die één dag in de week beschikbaar is, geen mandaat heeft in de dagelijkse gang van zaken en geen enkel besluit kan nemen zonder eerst zijn eigen toezichthoudend orgaan te raadplegen. En uw eigen rol wordt er onherstelbaar moeilijker van. Wie zes maanden heeft meegestuurd, kan daarna niet geloofwaardig toezien op de gevolgen van zijn eigen sturing. U rijdt op het reservewiel en hebt intussen geen reservewiel meer.

Aan de andere kant: soms is het echt even niet anders. Een week overbruggen tot er iemand staat, een handtekening zetten die geen uitstel duldt, een bankbesluit dat morgen moet — daar is de bepaling voor gemaakt. Het reservewiel is bedoeld voor de vluchtstrook, niet voor de snelweg. Het onderscheid zit niet in de vraag óf u het gebruikt, maar in de vraag hoe lang. Wie na acht weken nog waarneemt, heeft geen overbrugging meer maar een nieuwe inrichting, zonder dat iemand daartoe heeft besloten.

Waar het gesprek meestal op stukloopt, is de prijs. Een interim-bestuurder kost geld en dat staat op een factuur. De kosten van géén interim-bestuurder staan nergens: zij zitten verstopt in de operationele werking, in dossiers die blijven liggen, in de tweede kwartaalrapportage die niemand meer duidt, in het middenkader dat besluiten neemt waar het niet over gaat. Mijn ervaring is dat een interim-bestuurder in de meeste gevallen goedkoper is dan het alternatief. Maar ik reken het mijn eigen beroepsgroep aan dat wij dat zelden hard maken. Wij zijn te weinig bezig onze toegevoegde waarde zichtbaar te maken, en verliezen daardoor een discussie die wij op de cijfers zouden moeten winnen.

Het reservewiel brengt u tot de eerste afslag. Verder gaat het niet.

Lees ook: NIS2: cyberweerbaarheid is een bestuurlijke verantwoordelijkheid