Ooit leerde ik dat je als adviseur ‘bij het huisvuil’ kunt worden gezet. Dat is geen schande maar een onderdeel van het vak, begreep ik. Ik moest daar aan denken toen ik de kitten, die sinds deze zomer bij ons woont, met haar knuffel - een klein formaat kat - aan de slag zag. Er wordt een boel uitgeprobeerd op die knuffelkat: schijnaanvallen, in de ‘houtgreep’ nemen en als er buiten iets spannends gebeurt, dan neemt ze een spurt naar binnen om de knuffel een tik uit te delen. De knuffelkat is een oefenobject bij uitstek en – heel wonderbaarlijk – de knuffel komt er steeds weer ongeschonden vanaf.
Van troost naar transitie
De knuffel in de vorm van een kat of teddybeer staat voor veiligheid, weerbaarheid en biedt troost in bange tijden. Kinderen hebben er een periode baat bij maar als ze groter worden gaat de teddybeer onverbiddelijk de kast in of komt bij het huisvuil. In de psychologie wordt de teddybeermetafoor gebruikt om een transitieperiode te duiden. Ik denk dat dat ook op mijn kitten van toepassing is. Maar hoe zit dat dan in organisaties en met organisatieadvies?
Veilig genoeg om te ontregelen
Van Beinum beschrijft de teddybeermetafoor in een bundel over actieonderzoek. ‘Engaging in action research’ is de titel van het hoofdstuk. Van Beinum benadrukt het belang van wat hij noemt een ‘transitie-object’ of een ‘transitie-ruimte’ tijdens grote veranderingen. Het is als het ware een ‘rustgebied’ waar je veilig nieuwe ervaringen kunt opdoen. Van Beinum wijst op het paradoxale karakter van dat rustgebied: je bent jezelf en niet-jezelf op hetzelfde moment. Dat is een belangrijke voorwaarde om te kunnen leren. De tegenhanger is de ‘comforter’: een object dat alleen comfort biedt. Er zijn nauwelijks verstoringen of ervaring met discontinuïteit. En volgens van Beinum is dat een setting waarin minder wordt geleerd (hij noemt dat ‘safe-learning’).
Wanneer wordt steun ook spanning?
In adviestrajecten is het de vraag of je een ‘transitie-object’ of ‘comforter’ bent. Als transitie-object merk je dat spanning, onzekerheid of frustratie op jou als adviseur kan worden geprojecteerd. Als comforter word je vooral ingezet om gerust te stellen, te bevestigen en de bestaande ordening intact te laten.
De vraag is of duidelijk is waar de klantorganisatie behoefte aan heeft en ook wat in de klantorganisatie wordt toegestaan. Jij kunt je opstellen als transitie-object – de teddybeer die de veilige ruimte creëert – onder de voorwaarde dat je die rol bent overeengekomen (het contracteren). Daarbij horen expliciete vragen als: welke spanning moet in dit traject hanteerbaar worden gemaakt? En welke verstoring mag de adviseur wel en niet inbrengen? Overigens geldt dat contracteren ook voor de comforterrol met als vragen: welke ordening moet in stand blijven en waarom/waartoe?
De adviseur moet ook heel blijven
Soms word je als adviseur zonder expliciete contractering als transitie-object gebruikt. Ben je in staat om dat te herkennen en om die rolinvulling te hanteren? Van Beinum karakteriseert de rol van transitie-object als emotioneel en intellectueel zwaar. Het gaat om dichtbij-zijn en toch afstand bewaren. Het vergt om te kunnen vertragen, te benoemen wat er gebeurt, de projectie niet persoonlijk te maken en de spanning terug te brengen naar de leervraag van de organisatie. Die rol vergt de nodige zelfkennis en open staan voor het leren leergierig te zijn. Het einde van het verhaal is dat het transitie-object niet meer nodig is. De adviseur-teddybeer heeft zijn/haar functie vervuld. Hopelijk vergaat het de adviseur net zoals de katknuffel van mijn kitten: die komt ongeschonden ‘uit de strijd’.
Lees ook het vorige artikel van Elsbeth Reitsma: Adviseur en klant: it takes two to tango.