Home » Governance-vragen uit de praktijk » Kan er een enquêteprocedure tegen onze zorgstichting worden gestart?

Kan er een enquêteprocedure tegen onze zorgstichting worden gestart?

Enquêterecht: een noodrem in een treinwagon met daaronder een bordje over misbruik.
Het enquêterecht is een noodrem, geen stuur

Het enquêterecht geeft de Ondernemingskamer twee bevoegdheden. Zij kan het beleid van een rechtspersoon laten onderzoeken. En zij kan binnen enkele weken bestuurders schorsen of een tijdelijke bestuurder benoemen. Voor een zorgstichting staat die deur op een kier — maar alleen als aan één harde voorwaarde is voldaan.

Voor: bestuurders, toezichthouders en cliëntenraden bij een vastgelopen zorg- of welzijnsorganisatie.

Waar het over gaat

De regeling staat in de artikelen 2:344 tot en met 2:359 BW. Artikel 2:344 sub b stelt twee voorwaarden. Ten eerste moet het gaan om een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Ten tweede moet zij een onderneming in stand houden waarvoor volgens de wet een ondernemingsraad moet worden ingesteld. Geen ondernemingsraadplichtige onderneming, dus geen enquête. Dat is de kier.

Een noodrem hangt in elke wagon. Hij zit echter achter glas, en er staat bij wat het kost als u hem zonder reden gebruikt. Zo werkt het enquêterecht ook. Het is er, het werkt snel, maar wie eraan trekt zonder gegronde reden loopt zelf schade op. Artikel 2:350 lid 2 geeft de rechtspersoon namelijk het recht schadevergoeding te vorderen. Dat kan als de verzoeker niet op redelijke grond heeft verzocht.

Wie eraan mag trekken

Bij een stichting bestaat geen ledental- of aandeelhoudersdrempel. Van artikel 2:346 blijven daarom twee onderdelen over. Onderdeel d noemt de rechtspersoon zelf. Onderdeel e noemt degene aan wie de bevoegdheid bij de statuten of bij overeenkomst is toegekend. Dat laatste is bij zorgstichtingen de gebruikelijke route. Bovendien wordt hij ook echt gebruikt. In de zaak-Ilmarinen verzocht de cliëntenraad een enquête op grond van de statuten.

Daarnaast kan een vakbond het verzoek doen, op grond van artikel 2:347. Die vakbond moet dan wel leden onder het personeel hebben en aan de statutaire eisen voldoen. Ook de advocaat-generaal bij het ressortsparket kan een enquête vragen, om redenen van openbaar belang. Dat staat in artikel 2:345 lid 2. De ondernemingsraad komt echter in geen van beide artikelen voor. Die heeft namelijk een eigen route, via artikel 26 van de Wet op de ondernemingsraden.

Verder geldt voor iedereen de drempel van artikel 2:349 lid 1. Wie bezwaren heeft, maakt die eerst schriftelijk kenbaar aan het bestuur én aan de raad van toezicht. Vervolgens krijgt de organisatie een redelijke termijn om ze te onderzoeken. Wie dat overslaat, is niet-ontvankelijk.

Wat de Ondernemingskamer kan doen

De toets van artikel 2:350 lid 1 is kort. Er moeten gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Meer is voor de eerste fase niet nodig. Hangende het onderzoek kan de Ondernemingskamer bovendien onmiddellijke voorzieningen treffen. Dat gebeurt op grond van artikel 2:349a. Dat artikel somt niets op; de bevoegdheid is open geformuleerd en geldt voor de duur van het geding. In de zaak-PrivaZorg leverde dat binnen enkele weken drie dingen op. Namelijk een onafhankelijk bestuurder met beslissende stem, een onafhankelijk voorzitter van de raad van commissarissen en een dividendverbod. Waar nodig gebeurde dat in afwijking van de statuten.

Pas als uit het onderzoeksverslag wanbeleid blijkt, komt de tweede fase in beeld. De eindvoorzieningen staan namelijk wél limitatief in artikel 2:356. Het gaat om schorsing of vernietiging van besluiten, om schorsing of ontslag van bestuurders of commissarissen, en om tijdelijke aanstelling. Verder om tijdelijke afwijking van de statuten, overdracht van aandelen ten titel van beheer en ontbinding van de rechtspersoon. Dat verzoek moet u binnen twee maanden na nederlegging van het verslag doen.

Wanneer u beter artikel 2:298 kiest

Gaat het om het functioneren van één of twee personen? Dan is de rechtbankroute van artikel 2:298 BW sneller en toegankelijker. Elke belanghebbende of het openbaar ministerie kan namelijk ontslag vragen. De gronden zijn taakverwaarlozing, gewichtige redenen of een ingrijpende wijziging van omstandigheden. De rechtbank kan bovendien voorlopige voorzieningen treffen en de bestuurder schorsen. Een ontslagen bestuurder mag daarna vijf jaar lang geen bestuurder of commissaris van een stichting zijn. Verder staat die route ook open voor een stichting zonder ondernemingsraadplichtige onderneming.

De enquête is daarentegen de aangewezen weg als de vraag groter is dan de personen. Hoe is dit zo gekomen, klopt de structuur, wat deed het interne toezicht. Mijn oordeel: onderschat de doorlooptijd niet. De Ondernemingskamer deed er in 2025 mediaan 121 dagen over voor de eerste fase, en 259 voor de tweede. Alleen de onmiddellijke voorziening gaat dus echt snel.

Weet u wie in uw statuten het enquêterecht heeft?

Verwante begrippen

In het woordenboek

Verder lezen op deze site

Bronnen

  • Burgerlijk Wetboek Boek 2, afdeling 2 van titel 8 (artikelen 2:344 t/m 2:359) en artikel 2:298. wetten.overheid.nl
  • Ondernemingskamer, 19 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9692 (Stichting Ilmarinen). rechtspraak.nl
  • Ondernemingskamer, 20 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2099 (PrivaZorg). rechtspraak.nl
  • Ondernemingskamer, 21 juli 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2033 (Stichting Katholieke Universiteit, Radboudumc). rechtspraak.nl
  • Rechtspraak.nl. Jaarverslag Ondernemingskamer 2025 — doorlooptijden. rechtspraak.nl

Bijgewerkt op 21 augustus 2026. Dit is algemene informatie en geen juridisch advies in een concreet geval; laat statuten en feiten altijd door een advocaat beoordelen.

Loopt het bij u vast?

C3 wordt gevraagd als de verhoudingen te ver zijn opgelopen voor een gesprek en te vroeg voor een rechter. Wilt u eerst weten wat uw positie is, leg dan uw dossier voor met de Dossiercoach: binnen drie werkdagen een schriftelijk advies, vaste prijs € 1.200.

Leg uw dossier voor Bekijk interim-bestuur