Home » Governance Woordenboek » Agency-theorie

Agency-theorie

De theorie die governance verklaart als het beheersen van het belangenconflict tussen een principaal die opdracht geeft en een agent die uitvoert.

Governance Woordenboek · Normenkaders, wetten en codes · juridische stand augustus 2026

De aanloop is het werk van Berle en Means uit 1932. Zij stelden vast dat in de moderne vennootschap het eigendom is losgekoppeld van de zeggenschap: aandeelhouders bezitten, managers besturen. Jensen en Meckling werkten dat in 1976 uit tot een theorie. Zij omschrijven de agency-relatie als een contract waarbij de principaal de agent inschakelt en daarbij beslissingsbevoegdheid delegeert.

Hun uitgangspunt is nuchter en somber tegelijk. Het is in het algemeen onmogelijk om zonder kosten te verzekeren dat de agent beslissingen neemt die vanuit de principaal optimaal zijn. Daaruit volgen drie soorten agency costs: de monitoring costs van de principaal, de bonding costs die de agent zelf maakt om zich te binden, en de residual loss die daarna nog overblijft.

Die derde is het interessantst. Zelfs bij perfect toezicht en perfecte prikkels blijft er restschade. De theorie belooft dus geen oplossing maar een optimum. Wie haar kent, ziet bovendien dat een governancecode in feite een lijst is van afgesproken agency costs: de auditcommissie, de accountant, de onafhankelijkheidseisen en de rapportageverplichtingen zijn er alle voorbeelden van.

Precies daar loopt zij vast in de semipublieke sector. Bij een zorgstichting is er namelijk geen eigenaar-principaal. De WRR noemde dat in 2014 een tweeluik in plaats van een driehoek: anders dan bij een vennootschap ontbreekt de derde partij die voor bestuurlijk machtsevenwicht zorgt. Wat er wel is, is een veelheid van kandidaat-principalen die elk een claim hebben.

Ook wel: agentschapstheorie, principaal-agentprobleem.

Op wie is dit van toepassing?

Rechtsvormen

  • Herkomst: Berle en Means uit 1932, uitgewerkt door Jensen en Meckling in 1976
  • Drie agency costs: monitoring, bonding en residual loss
  • Grens: bij een stichting ontbreekt de eigenaar-principaal

Sectoren

Theoretisch fundament onder vrijwel elke governancecode, ook die voor zorg en welzijn.

Wat de agency-theorie betekent in de praktijk

Gebruik de theorie als diagnose en niet als recept. Vraag daarom bij elk toezichtinstrument wat het precies beheerst: informatieasymmetrie, of een echt belangenconflict. Dat onderscheid maakt uit. Een instrument dat tegen het verkeerde probleem wordt ingezet, kost namelijk geld en tijd en levert vervolgens niets op, behalve de illusie van beheersing.

Bij een zorgstichting is de vraag namens wie u toezicht houdt bovendien niet retorisch. Cliënten, medewerkers, gemeenten, zorgverzekeraars en de inspectie hebben elk een claim. De wet vult dat gat met de belangnorm van artikel 2:291 lid 3 BW, en de Governancecode Zorg met de maatschappelijke doelstelling. Beide zijn dus geen franje maar het antwoord op een theoretisch tekort.

Jensen en Meckling schreven over de vennootschap met externe aandeelhouders en vreemd vermogen. Wie hun model op een stichting legt, moet het ontbreken van een principaal expliciet benoemen.

Verwante begrippen

In het woordenboek

Verder lezen op deze site

Bronnen

Wetteksten verwijzen naar de geconsolideerde versie op wetten.overheid.nl, geraadpleegd in augustus 2026.

Twijfelt u of dit bij u op orde is?

De governance-scan toetst statuten, reglementen en besluitvorming van uw organisatie aan wet, code en praktijk. U krijgt geen advies in algemene termen maar bevindingen op uw eigen documenten.

Naar de governance-scan Doe eerst de gratis check