Voorbeeldvragen voor de zelfevaluatie van de raad van toezicht
Veertig vragen, verdeeld over acht thema's. Ze staan in de wij-vorm, omdat de raad van toezicht ze aan zichzelf stelt. Gebruik ze niet allemaal — kies er per thema twee of drie die op uw situatie slaan. Een evaluatie die veertig vragen afwerkt, wordt een enquête; een evaluatie die er twaalf goed doorleeft, levert afspraken op.
Acht thema's · veertig vragen · in de wij-vorm
De evaluatie in zestien stappenLaten begeleiden
Deze vragen zijn geschreven voor raden van toezicht in zorg en welzijn. Ze veronderstellen dat u ze onderling stelt, buiten aanwezigheid van de raad van bestuur.
1. Onze informatiepositie
- Wat weten wij over deze organisatie dat wij niet van de bestuurder hebben gehoord?
- Welk signaal uit het afgelopen jaar hebben wij te laat opgepikt, en waar zat dat aan?
- Krijgen wij standen of reeksen? Kunnen wij aan onze stukken zien welke kant het op gaat?
- Welke drie cijfers zouden wij elke vergadering willen zien, en zien wij die ook?
- Wanneer hebben wij voor het laatst iemand gesproken die niet in de bestuurskamer werkt?
2. Het samenspel met de raad van bestuur
- Waarover zijn wij het afgelopen jaar met de bestuurder oneens geweest, en hoe is dat afgelopen?
- Als wij nooit oneens waren: is dat overeenstemming of is het gemakzucht?
- Op welk moment zijn wij dit jaar op de stoel van de bestuurder gaan zitten, en waarom toen?
- Weet de bestuurder wat wij van hem of haar verwachten, of hebben wij dat nooit expliciet gemaakt?
- Hoe zou de bestuurder ons functioneren beschrijven als wij niet meeluisterden?
3. De voorzitter
- Krijgt iedereen aan tafel voldoende ruimte, of leunt het gesprek op dezelfde twee of drie stemmen?
- Wat doet de voorzitter tussen de vergaderingen door, en weten wij dat eigenlijk?
- Is de verhouding tussen voorzitter en bestuurder een voordeel voor de raad van toezicht, of een informatiekanaal waar de rest buiten staat?
- Wie spreekt de voorzitter aan als het aan de voorzitter ligt?
- Zou deze raad van toezicht ook functioneren met een andere voorzitter, of hangt te veel aan één persoon?
4. Ons functioneren als college
- Welke deskundigheid missen wij, gemeten aan de vraagstukken van de komende twee jaar?
- Wie van ons is dit jaar van mening veranderd, en waardoor?
- Hoe lang duurt het bij ons voordat een lastig onderwerp echt op tafel ligt?
- Sluit ons rooster van aftreden aan bij wat wij nodig hebben, of vertrekken straks drie mensen tegelijk?
- Doen wij ons werk in de vergadering, of ervoor en erna in de wandelgangen?
5. De maatschappelijke opgave
- Voor wie houden wij eigenlijk toezicht: de cliënt, de medewerker, de regio of de continuïteit van de organisatie?
- Als die belangen botsen, welke volgorde hanteren wij dan — en hebben wij dat ooit uitgesproken?
- Wat zou er in de regio verloren gaan als deze organisatie er over vijf jaar niet meer was?
- Besteden wij onze vergadertijd aan de vraagstukken die er over vijf jaar toe doen, of aan die van vorige maand?
- Waar in onze agenda is de blik naar buiten geborgd, en niet alleen de blik naar binnen?
6. Medezeggenschap en stakeholders
- Wat heeft de cliëntenraad ons het afgelopen jaar verteld dat wij niet al wisten?
- Spreken wij de medezeggenschap als bron of als formaliteit — en waaraan zou een buitenstaander dat zien?
- Weet de ondernemingsraad hoe hij ons kan bereiken buiten de bestuurder om?
- Hebben wij dit jaar met een externe partij gesproken: de gemeente, een ketenpartner, het zorgkantoor?
- Wat zouden zij zeggen over de rol van onze raad van toezicht?
7. Het ongezegde
- Welk onderwerp vermijden wij al langer dan een jaar?
- Wat zou u zeggen als er geen notulen werden gemaakt?
- Is er iemand aan tafel over wie onderling wordt gesproken maar niet mee?
- Welke afspraak hebben wij gemaakt waarvan iedereen wist dat hij niet zou worden nagekomen?
- Wat weet u dat de anderen zouden moeten weten?
Dit thema is precies het thema waarvoor externe begeleiding het meeste verschil maakt. Vragen als deze onderling stellen vraagt een veiligheid die niet elke raad van toezicht heeft, en de voorzitter kan die niet tegelijk creëren en bewaken.
8. De vorige evaluatie
- Welke afspraken maakten wij vorige keer, en welke zijn nagekomen?
- Van de afspraken die niet zijn nagekomen: lag dat aan de afspraak of aan ons?
- Wat hebben wij vorige keer opgeschreven omdat het goed klonk, zonder het te menen?
- Wie was eigenaar van elke afspraak, en had elke afspraak een datum?
- Wat gaan wij dit jaar anders doen zodat wij dit gesprek volgend jaar niet opnieuw voeren?
Deze vijf vragen zijn de belangrijkste van de veertig. De Innovatie- en Adviescommissie van de Governancecode Zorg wees er in 2025 op dat de opvolging van eerdere afspraken structureel het zwakste onderdeel is van de evaluatiecyclus. Een evaluatie die begint bij het vorige verslag, begint op de juiste plek.
Hoe u ze gebruikt
Vooraf
Stuur de gekozen vragen een week van tevoren rond, met het verzoek er niet over te overleggen. Wat u zoekt zijn individuele antwoorden, geen gedeeld standpunt dat in de gang al is gevormd.
Tijdens
Behandel niet elk thema even lang. Kies er twee waarvan u vermoedt dat ze spannend zijn en geef die het grootste deel van de tijd. De rest kan in een ronde langs de tafel.
Achteraf
Elke afspraak krijgt een naam en een datum. Afspraken zonder eigenaar zijn wensen, en die komen volgend jaar ongewijzigd terug. Zie wat u vastlegt en wat in het jaarverslag komt.
Wat u niet moet doen
Deze vragen inzetten om een lopend conflict op te lossen. Daarvoor is ander instrumentarium nodig; een evaluatie die eigenlijk een bemiddeling is, levert geen van beide op.
De vragen die u zelf niet kunt stellen
Thema zeven is niet toevallig het lastigste. Een voorzitter kan niet tegelijk het gesprek leiden en er onderwerp van zijn, en een raad van toezicht kan zichzelf moeilijk bevragen op wat er niet gezegd wordt. Daarvoor vraagt de Governancecode Zorg ten minste eens per drie jaar een onafhankelijke externe begeleider — en daar zit ook de meeste opbrengst.
Begrippen bij dit onderwerp
De achterliggende begrippen staan uitgelegd in het Governance Woordenboek, met de wettelijke vindplaats en het toepassingsgebied erbij.